vul in: d of t

goed  

krant  

hoed  

brood  

fluit  

wereld  

mand  

rond  

vriend  

tijd  

maand  

blind  

zand  

kat  

klant  

krijt  

hand  

kind  

bed  

rijst  

En nu in een zin

De band   van mijn fiets is stuk.

Ze tennissen op het tennisveld   .

Marlies haalt haar paard   uit het hok.

Lust jij ook graag worst   .

Onze juf tekent op het bord   .

Brussel is onze hoofdstad   .

De leraar haalt een landkaart   tevoorschijn.

Bij het gevecht verloor Jonas een tand   .

Er ligt een ei in het vogelnest   .

Het sportveld   ligt naast mijn huis.