vul in: d of t

maand  

goed  

hoofd  

tijd  

markt  

rijst  

zand  

krijt  

tocht  

kwijt  

blind  

rond  

land  

paard  

fruit  

veld  

band  

hout  

brood  

hand  

En nu in een zin

Mijn beste vriend   heet Jan.

Brussel is onze hoofdstad   .

Onze juf tekent op het bord   .

Ik lees elke dag de krant   .

De leraar haalt een landkaart   tevoorschijn.

De band   van mijn fiets is stuk.

Het sportveld   ligt naast mijn huis.

Bij het gevecht verloor Jonas een tand   .

Marlies haalt haar paard   uit het hok.

Heb jij het reglement   gelezen?