vul in: d of t

tijd  

draad  

bord  

wereld  

rond  

markt  

nooit  

land  

kat  

brood  

liefst  

kwijt  

hond  

boot  

fruit  

klant  

bed  

maand  

hand  

paard  

En nu in een zin

Mijn beste vriend   heet Jan.

Een olifant   heeft een lange slurf.

Heb jij het reglement   gelezen?

Het sportveld   ligt naast mijn huis.

De band   van mijn fiets is stuk.

Lust jij ook graag worst   .

Bij het gevecht verloor Jonas een tand   .

Onze juf tekent op het bord   .

Het was niet mijn schuld   dat ik te laat   in de les was

Er ligt een ei in het vogelnest   .