vul in: d, t of dt

Hij verspert   ons de weg.

Er wordt al jaren aan deze kerk gewerkt.

Mijn oma bidt drie keer per dag.

De meester belooft   geen huiswerk te geven.

Hij leidt een succesvol bedrijf.

Bindt je kleine broer zijn veters al zelf?

Iedereen verheugt   zich nu al op de vakantie.

Bind   je kleine broer zijn veters eens!

De chauffeur laadt de koffers in.

Hij verbindt de twee uiteinden aan elkaar.

Schud   jij de kaarten even?

Wat gebeurt   er op straat?

Wat vind   jij daar nu van?

Het vliegtuig landt binnen tien minuten.

Het water wordt heel heet.