vul in: d, t of dt

Wat is er gisteren precies gebeurd   .

Mijn oma bidt drie keer per dag.

De film werd op een eiland gedraaid   .

Hij verspert   ons de weg.

Het vliegtuig landt binnen tien minuten.

De chauffeur laadt de koffers in.

Hij verbindt de twee uiteinden aan elkaar.

Bindt je kleine broer zijn veters al zelf?

Wat vind   jij daar nu van?

Bind   je kleine broer zijn veters eens!

Verstond   je de vraag niet?

Vind   jij ook dat we veel geluk hadden?

Onze piano wordt morgen gestemd   .

Het water wordt heel heet.

Hij leidt een succesvol bedrijf.