vul in: d, t of dt

Verstond   je de vraag niet?

Het water wordt heel heet.

Vind   jij ook dat we veel geluk hadden?

In onze straat bevindt zich geen bushalte.

Wat gebeurt   er op straat?

Hij leidt een succesvol bedrijf.

De meester belooft   geen huiswerk te geven.

Hij verbindt de twee uiteinden aan elkaar.

Iedereen verheugt   zich nu al op de vakantie.

Wendt u zich maar tot de manager.

Bindt je kleine broer zijn veters al zelf?

Hij verspert   ons de weg.

Onze piano wordt morgen gestemd   .

De film werd op een eiland gedraaid   .

Mijn oma bidt drie keer per dag.