vul in: d, t of dt

Iedereen verheugt   zich nu al op de vakantie.

Hij leidt een succesvol bedrijf.

Wendt u zich maar tot de manager.

Mijn oma bidt drie keer per dag.

De chauffeur laadt de koffers in.

Wat vind   jij daar nu van?

Bind   je kleine broer zijn veters eens!

De film werd op een eiland gedraaid   .

In onze straat bevindt zich geen bushalte.

De meester belooft   geen huiswerk te geven.

Hij verbindt de twee uiteinden aan elkaar.

Het vliegtuig landt binnen tien minuten.

Wat is er gisteren precies gebeurd   .

Onze piano wordt morgen gestemd   .

Hij verspert   ons de weg.