vul in: d, t of dt

De meester belooft   geen huiswerk te geven.

Wat is er gisteren precies gebeurd   .

Wat gebeurt   er op straat?

Verstond   je de vraag niet?

De chauffeur laadt de koffers in.

De film werd op een eiland gedraaid   .

Wie raadt het juiste antwoord   ?

Bind   je kleine broer zijn veters eens!

Het vliegtuig landt binnen tien minuten.

Vind   jij ook dat we veel geluk hadden?

Bindt je kleine broer zijn veters al zelf?

Het water wordt heel heet.

Schud   jij de kaarten even?

Hij verbindt de twee uiteinden aan elkaar.

Hij leidt een succesvol bedrijf.